Vroegchristelijke manuscripten1

Manuscripten van vroegchristelijke teksten, in het bijzonder de geschriften die later tot de canon zouden behoren, vertonen zowel eenvoudige, functionele karakteristieken als duidelijke kenmerken die vooral visueel bepalend zijn. Hieruit blijkt een behoefte om de manuscripten een eigen christelijke identiteit te geven. Dat stelde prof. dr. Larry Hurtado onlangs in zijn internetblog.

Twee nomina sacra, respectievelijk ΙΥ en ΘΥ, die staan voor van Jezus en van God, in een passage uit Johannes 1 in de codex Vaticanus, 4e eeuw.

De christelijke manuscripten uit de 2e en 3e eeuw zijn over het algemeen eenvoudiger van stijl dan de niet-christelijke manuscripten uit diezelfde periode. Ze suggereren vooral dat de manuscripten een functioneel doel hadden, zoals aandacht voor leesbaarheid van de tekst door gebruikmaking van bijvoorbeeld meer tussenruimte tussen de verschillende tekstregels. Het lijkt erop dat de manuscripten vooral gemaakt zijn met het oog op die leesbaarheid van de teksten.

Maar daarnaast vertonen de manuscripten wel degelijk ook bepaalde typisch christelijke kenmerken die de kopiisten gebruikten. Een voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde “nomina sacra”, waarbij bepaalde woorden in afgekorte vorm werden geschreven met een horizontale lijn erboven. Belangrijke woorden zoals Iesous, Christos, Kyrios en Theos werden met behulp van de “nomina sacra” geschreven.

Hurtado betoogt dat deze “nomina sacra” puur bedoeld waren als visueel fenomeen. De woorden werden bij het lezen gewoon uitgesproken alsof ze normaal geschreven waren. Ze tonen aan dat de manuscripten zelf al door middel van gebruiken als de “nomina sacra” onderdeel werden van een christelijke “visuele cultuur”, een uiting van een eigen christelijke identiteit. Uit deze twee belangrijke observaties met betrekking tot de christelijke manuscripten – enerzijds een duidelijke intentie om de kopieën van de centrale teksten van de christelijke gemeente eenvoudig leesbaar te maken door een eenvoudige functionele stijl, maar anderzijds door de teksten een eigen identiteit te geven door gebruikmaking van visuele middelen als de “nomina sacra” – leidt Hurtado af dat in het vroege christendom het lezen van deze teksten in de samenkomsten een belangrijke plaats innam, en dat men tegelijk veel aandacht gaf aan het samenstellen en verspreiden van deze geschriften.