De vroege kerk kende wel degelijk theologen die tegen slavernij waren1
Naar aanleiding van een in Trouw geplaatste oproep om ‘met slavernij besmet kerkelijk verleden’ te melden, en een daarop volgende reportage, schreef Els Rose, hoogleraar middeleeuws Latijn, een opiniestuk. De eerdere oproep vond plaats in het kader van een universitair en kerkelijk onderzoek naar de rol van protestantse kerken in het koloniale verleden. Rose roept echter op ook oude, pre-protestantse bronnen mee te nemen in het onderzoek.
De reportage in Trouw over de sporen van slavernij in de Sint Jacobskerk te Vlissingen toont een foto van een gedachtenisbord van een familie die op het eiland Sint-Maarten slaven hield. Door de compositie van de foto met de heilige Martinus van Tours lijkt de naamgever van het Caribische eiland te worden aangewezen als ‘met slavernij besmet kerkelijk erfgoed’. Maar dat vraagt om meer achtergrond, aldus Rose.
In de tijd van Martinus van Tours, de vierde eeuw, was slavernij ook in de kerk gemeengoed. Dat had te maken met de Romeinse samenleving waarin de kerk ontstond, maar ook door de Bijbelse bronnen die niet oproepen tot het vrijlaten van slaven, maar om hen goed te behandelen. De noodzaak van theologische tegenargumenten die een radicaal einde aan slavernij hadden kunnen maken verdween in de loop van de tijd, aldus Rose.
Maar dat betekent niet dat de vroege kerk wel degelijk theologen en andere voortrekkers kende die de afschaffing van slavernij voorstonden. Volgens hen was ieder mens naar Gods beeld geschapen en kon de ene mens niet het bezit zijn van een ander mens. Tot de verdedigers van dit standpunt behoorde ook Martinus van Tours. Van deze Martinus wordt verhaald dat hij als hoge Romeinse legerofficier zijn slaaf niet als slaaf behandelde, maar hem juist diende. Daarnaast is er een vijfde-eeuwse bewerking van het levensverhaal van Martinus door Paulinus van Périgueux, die het genoemde voorval uitlegt als een juridische handeling, waarin Martinus zijn slaaf bevrijdt van het door geboorte opgelegde juk van slavernij. Deze dichter plaatst Martinus dus in een groep van mensen die alle bezit afwees, inclusief het bezit van slaven, aldus Rose. Rose spreekt de hoop uit dat ook dit soort stemmen uit het verleden meeklinken in het onderzoek naar de kerkelijke rol in het slavernijverleden, zodat de foto uit Vlissingen op die manier een oproep wordt om juist de vergeten stem van christelijke bronnen die slavernij radicaal afwezen te laten horen. Rose: Het is belangrijk in onze tijd te ontdekken hoe deze bronnen weer zo kunnen klinken dat zij een krachtig tegengeluid vormen tegen iedere vorm van kleinering en onderdrukking.