Home Actualiteit Eindelijk instituut voor kerkvaderstudie

Eindelijk instituut voor kerkvaderstudie1

14-06-2008

Utrecht, 14 juni 2008 - Nederland is sinds gisteren weer een wetenschappelijk instituut rijker. En wat voor een instituut. Voor het eerst werken katholieke en protestantse wetenschappers in georganiseerd verband samen bij het bestuderen van de kerkvaders. Een oecumenische sprong voorwaarts, want vroeger gebruikten beide partijen de geschriften van de vaders juist om elkanders leer te bestrijden.

Kerkvaders

De kerkvaders (patres) waren mannen die in de oudheid bijzonder gezag genoten vanwege hun visie op God, Christus en de christelijke samenleving. De vaders werden beschouwd als geloofwaardige getuigen en interpreten van de Schrift. De wetenschap die zich met hun historische betekenis bezighoudt heet patrologie en de discipline die hun geschriften bestudeert wordt patristiek genoemd.

Interuniversitair

Gisteren werd in Utrecht het officiële startsein gegeven aan het Interuniversitair Centrum voor Patristisch Onderzoek (CPO). Het instituut is opgericht door de decanen van twee theologiefaculteiten, te weten die van de Vrije Universiteit van Amsterdam en van de Universiteit van Tilburg, prof. Adelbert Denaux en prof. Bram van de Beek.

Bisschoppen

De publiekspresentatie vond plaats in de Booth-zaal van universiteitbibliotheek van Utrecht. Er waren ruim 160 aanwezigen onder wie drie rooms-katholieke bisschoppen: de emeriti Tiny Muskens en Jan De Kok, en de Roermondse hulpbisschop Everard de Jong. Ook aanwezig waren diverse patristici van Syrisch-orthodoxe en Russisch-orthodoxe huize.

Gebeurtenis van formaat

De hoofdspreker dr. Eginhard Meijering, eminence grise van de patristiek in Nederland, noemde het een gebeurtenis van formaat. "U kunt zeggen dat u daar bij was", hield hij het publiek voor. Je moet je bewust zijn van de relevantie van historische discontinuïteiten. We weten vandaag de dag weer dat je zonder verleden geen toekomst hebt. De patristiek kan daar volgens hem op inspelen.

Onverdraagzaamheid

Meijering wees in zijn rede op moeilijkheden, zoals de schrikbarende daling van de kennis van klassieke talen. Ook nuanceerde hij de vele vooroordelen jegens de kerkvaders, bijvoorbeeld dat de kerkvaders onverdraagzaam waren. "Dat klopt. Je mag en moet daar duidelijk in zijn. Maar plaats het wel in de context van toen: een multiculturele samenleving met een hoge mate van vrijheid van spreken. Polemiek en zwart-wit denken was een normale gang van zaken in de wijze van debatteren. De onverdraagzaamheid was wederzijds". Als christenen door heidense auteurs 'kwakende kikkers' werden genoemd, nodigde dat als het ware uit tot het geven van een koekje van eigen deeg. Dat gebeurde dan ook. Niet onbelangrijk is, is dat de verwijten aan anderen in de geschriften van de kerkvaders ook als spiegels voor zichzelf zijn. Ze functioneerden als middel voor kritische zelfreflectie.

Geloof vraagt om reflectie

Uiteindelijk, stelde Meijering, stellen de kerkvaders vragen aan de orde die het geloof nog steeds wezenlijk raken. Een andere spreker, dr. Liuwe Westra, citeerde in dit verband een van de kerkvaders: deum et animam scire cupio – 'ik begeer God en de ziel te onderzoeken'. Het zijn tijdloze categorieën en wellicht de kortste mission statement ooit. Het ‘onderzoeken’ is daarbij wezenlijk. "Wie zomaar iets gelooft, gelooft zomaar niets", zei Westra. "Geloof vraagt om reflectie."

Dringende vragen

De kerkvaders geven geen hapklare antwoorden op vragen van nu. De studie van de kerkvaders leert hoe zij probeerden de vragen van de gelovigen toen te beantwoorden. Levensechte en blijkbaar ook dringende vragen. In de eeuwen direct na het formuleren van de officiële geloofsbelijdenissen, was er nog genoeg gelovige onzekerheid waar de kerkvaders in hun geschriften recht aan probeerden te doen. Daarmee bouwden ze aan de traditie.

Vermoeiend maar boeiend

Ook de wisselwerking tussen geloof, geloofsovertuigingen en de (ook toen) multiculturele samenleving waar het christendom niet vanzelfsprekend was, maakt de studie van de kerkvaders voor nu interessant. Een weerbarstige studie: "Vermoeiend maar boeiend", aldus prof. dr. Paul van Geest, de directeur van het nieuwe instituut. Voor hem heeft het onderzoekscentrum niet alleen een functie voor de wetenschappelijke studie van religie en geloof door theologen en religiewetenschappers. Het CPO wil ook vanuit de kerkvaders een brug slaan naar de vragen naar zin en spiritualiteit die in deze tijden dringende vragen zijn.

Patrologie en patristiek

Van Geest ging gisteren in zijn toespraak in op het onderscheid tussen patrologie en patristiek. De patrologie werd een vak dat eerder beschrijvend dan leerstellig was. In de patrologie werd bijvoorbeeld door tekstuele kritiek de volledigheid of authenticiteit van een tekst vastgesteld. De patristiek (theologia patristica) liet zich sinds 1800 door leerstellige vragen bepalen. Men zocht naar fragmenten in de vroeg-christelijke werken om daar later geformuleerde dogma’s mee te onderbouwen.

Steengroeven

"De patristische benadering draagt een aantal gevaren in zich. Het grootste gevaar is dat werken van de kerkvaders beschouwd worden als steengroeven, waaruit antwoorden kunnen worden gehouwen op vragen die niet de vragen van henzélf waren. Het bouwwerk dat dan wordt opgetrokken, kan indrukwekkend zijn. Maar het kan tegelijk een ideologisch karakter hebben", aldus Van Geest.

Eenzijdig subjectivisme

Een strikt patrologische benadering is volgens de CPO-directeur ook gevaarlijk. "Ten eerste is het een achterhaald idee te denken dat een tekst geanalyseerd wordt met een zuiver wetenschappelijke gevormde geest, die op een met volmaakte objectiviteit geplaveide weg tot definitieve resultaten komt. Een uitsluitend patrologische benadering kan daarnaast ook leiden tot een eenzijdig subjectivisme in de interpretatie van de geschriften van de vroeg-christelijke auteurs."

Luchtkasteel

De patrologische benadering moet de patristiek behoeden voor het onkritisch optrekken van een dogmatisch en ideologisch luchtkasteel, zei Van Geest. "Als patristici hun bouwwerken niet baseren op inzichten uit de patrologie, dan worden deze weggespoeld door de slagregen van vragen naar het ontstaansmilieu, de overlevering, het genre en de stijl van het vroegchristelijke werk. Zij zijn dan helaas niet als de man in het Lucas-evangelie, die zijn huis op de rots bouwde." Van de andere kant behoedt de patristische benadering de patrologische weer voor een subjectivistische en vrijblijvende benadering van de vaders. "Zij kan niet zonder de patristische gevoeligheid voor de sensus fidelium [de gedeelde geloofservaring van alle christenen in alle plaatsen en tijden
."

Bron

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit: katholieknederland.nl, 14-06-2008.
Pagina laatst gewijzigd op: 17-06-2008
Zoeken binnen vroegekerk.nl