Home Het Begin De Veertigdagentijd in de vroege kerk

De Veertigdagentijd in de vroege kerk

Het is niet erg duidelijk hoe in de vroeg-christelijke kerk de Veertigdagentijd is ontstaan. 'Veertigdagentijd' is afgeleid van het Latijnse 'Quadragesima' en Griekse 'Tessarakostè', wat beide 'veertigste' betekent, en duidt de vastenperiode ter voorbereiding op het Paastfeest aan.

Getuigen uit de eerste drie eeuwen wijzen op verschillende praktijken en duur van de periode van vasten voorafgaand aan Pasen. Volgens een door de kerkhistoricus Eusebius bewaard schrijven van Irenaeus aan bisschop Victor van Rome vastten sommigen voor Pasen één, andere twee dagen en weer anderen 40 uur1. Dit verschil lijkt er op te wijzen dat er in de vroege periode van de kerk nog geen duidelijke instelling van de Veertigdagentijd was.
Daarnaast zijn er ook getuigen die een duidelijk onderscheid maken tussen de strenge vastenpraktijk in de Heilige week voor Pasen en de periode van 40 dagen die daaraan voorafging2. De Veertigdagentijd lijkt dus niet een automatisch verlengstuk en uitbreiding te zijn geweest van de praktijk van de vasten voorafgaand aan Pasen. Het lijkt een periode te zijn geweest met een heel eigen karakter.
Pas na het concilie van Nicea - dus vanaf ca. 325 - komt de Veertigdagentijd als eigen periode expliciet voor in de geschriften uit de vroege kerk. Dit leidt er bij sommigen toe om te veronderstellen dat de Veertigdagentijd vrij spontaan na Nicea is ontstaan. Anderzijds zijn er in de pre-Niceense periode wel degelijk getuigen van een praktijk van vasten, zelfs voor een periode van 40 dagen, die dan wel los stond van de vasten voor Pasen3. Dit hoeft ook niet te verbazen, omdat in de Bijbel het getal 40 veelvuldig terugkomt4. Ook het vasten voor een periode van 40 dagen kent parallellen in de Bijbel: Mozes, Elia, de Ninevieten en Jezus5.

Op het concilie van Nicea werden diverse besluiten genomen ten aanzien van de harmonisatie van liturgische praktijken in de kerk. Dat geldt niet voor de Veertigdagentijd, maar het is goed mogelijk dat bepaalde praktijken ten aanzien van de vasten uit de pre-Niceense periode in deze lijn van harmonisatie na Nicea ertoe heeft bijgedragen dat de Veertigdagentijd als vastenperiode een zelfstandige plaats heeft gekregen in de liturgie van de vroege kerk6.

Vanaf de vierde eeuw ontwikkelt deze voorbereidstijd op Pasen zich ook tot een periode waarin catechumenen zich intensief voorbereidden op de doop die met Pasen werd bediend.

Zie voor meer over Veertigdagentijd: Links: Kerkelijk jaar - Veertigdagentijd.

Noten

Eusebius, H.E. 5,24. De genoemde 40 uur zou overeenstemmen met de periode waarin Christus in het graf lag.
Zo bijvoorbeeld bij Athanasius in zijn Feestbrieven van 329-334 n.Chr..
Zie een uitgebreide bespreking van de 40 daagse vastenperiode in Egypte aansluitend op het Feest van Theofanie bij Russo, The Early History of Lent, 2013.
Bijvoorbeeld: de duur van de zondvloed (Gen. 7:4,12 en 17), de 40 jarige omzwervingen in de woestijn (Gen. 16:35; deze omzwerving en het binnengaan in het beloofde land werd in de doopliturgie van de vroege kerk een belangrijk thema).
Exodus 34:28; 1 Koningen 19:7-8; Jona 3:4; Matth. 4:2 en Luk. 4:2.
Zie Russo, The Early History of Lent, 2013, p. 24-25.

Bronnen

  • The Early History of Lent, Nicholas V. Russo, 2013.
    Pagina laatst gewijzigd op: 21-02-2015
Zoeken binnen vroegekerk.nl