Home Actualiteit Johannes: geestelijk evangelie op basis van feiten

Johannes: geestelijk evangelie op basis van feiten1

Is het Johannesevangelie veel meer een geestelijk dan een historisch evangelie?

De kerkvader Clemens van Alexandrië (overleden in 215) omschreef het vierde evangelie, dat op naam van de apostel Johannes staat, als een geestelijk evangelie. Hij deed dit om het onderscheid duidelijk te maken met de andere drie evangeliën, die zo sterk op elkaar lijken dat men ze later "synoptische evangeliën" ging noemen. Clemens suggereerde dat de eerste drie evangeliën de uiterlijke feiten hadden beschreven en dat Johannes zich daarom richtte op de geestelijke kant van het werk van de Heere Jezus.

Het standpunt van Clemens was uiterst invloedrijk, want tot in onze tijd hoort men mensen herhalen dat het Johannesevangelie een bij uitstek geestelijk evangelie is. En inderdaad vertelt Johannes slechts een beperkt aantal gebeurtenissen uit het leven van Jezus. Maar hij brengt daarvan wel de diepere betekenis naar voren. Ook laat hij duidelijker dan de andere evangelisten vanaf het begin zien dat Jezus niet alleen mens is, maar ook God.

Kritische geleerden hebben beweerd dat het Johannesevangelie vanwege zijn geestelijk karakter niet erg geliefd was in de Vroege Kerk, terwijl het juist onder de supergeestelijke gnostici veel lezers had. Ook trekt men al snel de conclusie dat Johannes het met de historische feiten over de Heere Jezus niet zo nauw neemt. Ik ga op beide suggesties in.

Ketterse groepen

Een twintigste-eeuwse geleerde die het wel heel bont maakte in zijn kritiek op Johannes, was de Duitse lutheraan Ernst Käsemann. Hij meende dat Johannes Jezus zo had vergeestelijkt dat Hij geen echt mens meer was, maar als een soort god over de aarde zweefde. Om die reden, vond Käsemann, moest dit evangelie eigenlijk uit de canon gegooid worden. Teksten die op het mens-zijn van Jezus wijzen zoals Johannes 1:14; 4:6-7; 6:42; 10:33; 11:33; 12:27 en 19:5 was deze hoogleraar voor het gemak maar even vergeten.

Al een paar generaties lang zeggen Bijbelwetenschappers elkaar na dat het Johannesevangelie eerder door ketterse groepen werd gelezen en geaccepteerd dan door orthodoxe groepen in de Vroege Kerk. Daaraan wordt toegevoegd dat de populariteit van Johannes onder de ketters de orthodoxie juist afkerig maakte van dit evangelie. De kerkvader Irenaeus zou er in de tweede eeuw min of meer in zijn eentje voor hebben gezorgd dat Johannes uiteindelijk door de kerk werd aanvaard.

Intussen is deze mythe over het lot van het Johannesevangelie in de tweede eeuw nauwgezet weerlegd en behoort er een einde aan te komen. De Amerikaan Charles E. Hill heeft in een dik boek uit 2004 namelijk aangetoond dat de feitelijke gang van zaken heel anders was. De orthodoxie aanvaardde Johannes al snel als gezaghebbend en als een van de vier betrouwbare bronnen over Jezus van Nazareth. De gnostici lazen het vierde evangelie ook, maar reageerden er juist kritisch en zelfs afwijzend op.

Hill probeert aannemelijk te maken dat het Johannesevangelie reeds kort na publicatie werd aanvaard door de kerken in Syrië, Klein-Azië, Rome en Gallië (Frankrijk). Hij schat daarbij sommige gegevens (zoals de brieven van Ignatius) wel erg positief in en we kunnen de algemene acceptatie van Johannes beter wat later stellen, maar in principe heeft Hill gelijk. Om een paar namen te noemen, Aristides, Melito van Sardes en Tatianus maakten positief gebruik van Johannes, en er is bij het orthodoxe deel van de Vroege Kerk niets merkbaar van wantrouwen tegenover dit evangelie.

Nauwkeurige dateringen

Een hedendaagse geleerde die veel gedaan heeft om het onderzoek naar het Johannesevangelie in positieve banen te leiden, is Richard Bauckham, die hoogleraar was in het Schotse St. Andrews en nu in Cambridge woont. Hij benadrukt dat er een ooggetuige achter het evangelie staat die eraan hechtte betrouwbare informatie te bieden over de bediening van Christus op aarde. Het is waarschijnlijk dat deze persoon de anonieme metgezel is van Andreas in hoofdstuk 1 die van Johannes de Doper overgaat naar Jezus (verzen 35, 37, 40) en ook degene die in 21:20-24 wordt genoemd. Zoals een goede historicus in die tijd deed, suggereert de evangelist dat hij betrouwbaar is door zijn aanwezigheid te vermelden.

We kunnen samenvattend zeggen dat het feit dat de vierde evangelist diep inzicht heeft in de Heere Jezus, Zijn oorsprong en de betekenis van Zijn werk, niet ten koste gaat van zijn weergave van de uiterlijke feiten van Zijn leven en werken. Integendeel. Zijn evangelie is geestelijk, maar niet zweverig.

Dr. Pieter J. Lalleman, docent Nieuwe Testament aan Spurgeon's College in Londen.

Verder lezen over dit onderwerp:

  • P.H.R. van Houwelingen, Johannes. Het evangelie van het Woord (Commentaar op het Nieuwe Testament, derde serie; Kampen: Kok, 1997)
  • Richard J. Bauckham, The testimony of the beloved disciple: narrative, history, and theology in the Gospel of John (Grand Rapids: Baker Academic, 2007)
  • Charles E. Hill, The Johannine corpus in the early church (Oxford: Oxford University Press, 2004)
  • Marianne Meye Thompson, The humanity of Jesus in the Fourth Gospel (Philadelphia: Fortress Press, 1988)

Bron

Bron: RD, 31-12-2011, Dr. Pieter J. Lalleman.
Pagina laatst gewijzigd op: 02-01-2012