Home Het Begin De Canon van het Nieuwe Testament

De Canon van het Nieuwe Testament

Door: Koen Brinkman

Het Nieuwe Testament zoals we dat vandaag de dag in de Bijbel vinden verschilt niet van de canon zoals die werd vastgesteld tijdens de Synode van Rome in het jaar 382. De boeken waaruit deze bundel werd samengesteld waren echter al sinds het jaar 100 in circulatie. Over de vraag welke boeken wel en welke niet in de Bijbel thuishoorden is er wat een aantal daarvan betreft wel enige discussie geweest. Het gaat dan met name over de brief aan de Hebreeën, de brief van Jacobus, II Petrus, de 2e en 3e brief van Johannes, Judas en de Openbaringen (van Johannes).

De vorming van de Canon van het Nieuwe Testament

De idee dat het Nieuwe Testament ineens, in de tijd van de apostelen zijn definitieve vorm kreeg is niet in overeenstemming met de ons bekende feiten. Er ontstond wel al vrij snel, dat wil zeggen in de eerste twee eeuwen, een brede consensus over welke boeken er wel en welke er niet bij hoorden, enerzijds gemotiveerd door confrontaties met bepaalde partijen die er afwijkende ideeën op na hielden1, anderzijds afgeremd door aarzelingen en onzekerheden. Maar de officiële vastlegging en uitgave van het Nieuwe Testament heeft een paar eeuwen langer op zich laten wachten.

De eerste verzamelingen

De geschriften die duidelijk van de hand van apostelen waren, moeten al vanaf het begin bijzonder in trek zijn geweest. Plaatselijke gemeenten deden moeite om kopieën te bemachtigen. Er zijn geen aanwijzingen dat er centraal geregisseerd een verzameling van apostolische geschriften werd samengesteld, maar we mogen wel aannemen dat de grote gemeenten, zoals die in Antiochië, Thessalonica, Alexandrië, Corinthe en Rome, geschriften met andere uitwisselden - en overschreven. Zo ontstonden er op verschillende plaatsen collecties die elkaar voor een groot deel overlapten2. Twee onderdelen vormen in de hoofdstroom van de vroege Kerk de onbetwiste kern van die collecties: de vier Evangeliën en de dertien brieven van Paulus, kortweg het Evangelium en het Apostolicum. Op de bewijzen hiervoor komen we verderop terug.

Wat is canoniek?

Wat bracht de vroege kerk ertoe bepaalde geschriften als Goddelijk te zien? Hoe ging deze selectie in zijn werk?
Dat de apostolische oorsprong van groot belang was, blijkt wel hieruit dat de kerkvaders gezag aan deze geschriften toekenden door ze te verbinden met bepaalde apostelen. Ook later bleek dat geschriften pas aan de canon werden toegevoegd zodra men het er algemeen over eens was dat een apostel er de auteur van was. De voorstanders van deze visie voegen daar nog aan toe dat men de apostelen zag als een soort profeten, zoals onder het Oude Testament, nog versterkt door een bijzondere inwoning van de Heilige Geest.
Volgens andere geleerden was die apostolische oorsprong niet het belangrijkste. Zij wijzen er bijvoorbeeld op dat Marcus en Lucas geen apostelen waren (hoewel de traditie wil dat Marcus gebaseerd is op toespraken van Petrus en Lucas op die van Paulus). Iets dergelijks geldt dan voor de Openbaring van Johannes die onder meer volgens Origenes niet van de apostel met die naam was. Verder kende de vroege kerk bepaalde apostolische geschriften, zoals de Brief van Barnabas en de Openbaring van Petrus, die de Canon toch niet hebben gehaald. Volgens sommige geleerden was overeenstemming met de juiste leer dus belangrijker dan de apostolische oorsprong.
Weer een andere visie gaat uit van de woorden van Jezus als de heilige en gezaghebbende kern, het Evangelie. Geschriften moesten een evangelisch karakter hebben om bij de Canon te kunnen horen. Of ze dat wel of niet hadden hing af van de vraag of een ooggetuige (in de praktijk dus vaak een apostel) er de auteur van was, of dat zo'n ooggetuige er tenminste zijn goedkeuring aan kon geven.

De vier Evangeliën

Ireneüs maakte aan het eind van de tweede eeuw in zijn Tegen de ketterijen (Adversus Haereses) al melding van het Viervoudige Evangelie, gegeven door het Woord en verenigd door één Geest3. Hij vond dat de afwijzing van dit Evangelie (of delen ervan, zoals de Alogi4 en Marcionieten deden) gelijk staat aan zonde tegen de Geest van God5. Ireneüs noemt elk van de Evangeliën afzonderlijk en citeert eruit zoals hij ook uit het Oude Testament citeert6. Uit dit werk kunnen we opmaken dat de canon van de Evangeliën in die tijd al vast lag. Dit wordt bevestigd door de zeer vroege catalogus die bekend staat als de Canon Muratori7, maar ook door Hippolytus van Rome, de Afrikaan Tertullianus, Clemens van Alexandrië, het werk van de gnosticus Valentinus en uit de Syrische Diatessaron van Tatianus, een samenvoeging van de vier Evangeliën.

De brieven van Paulus

Dat de dertien brieven van Paulus8 ook al vroeg als canoniek werden erkend blijkt op dezelfde manier uit de bronnen als de erkenning van de vier Evangeliën. Ireneüs, bijvoorbeeld, behandelt deze brieven (met uitzondering van die aan Filémon) als heilig en canoniek. De Canon Muratori noemt ze ook, maar dan weer niet de Brief aan de Hebreeën. Zelfs de heterodoxe bisschopszoon Marcion van Sinope vond tenminste zes9 van deze brieven canoniek. Men denkt dat tijdens het leven van Clemens van Rome (eind eerste eeuw) de brieven van Paulus al in een vaste volgorde gebundeld waren2. Het lijkt erop dat de kerk van Corinthe, waaraan Paulus tenminste drie brieven schreef, deze verzameling als eerste compleet had.

De overige boeken

In het begin had de Brief aan de Hebreeën nog weinig status in Rome, wat blijkt uit het ontbreken van deze brief in de Canon Muratori. Het lijkt er wel op dat Ireneüs eruit citeert, maar die vermeldt Paulus niet als schrijver. Toch was de brief in de eerste eeuw in Rome al bekend, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de (Eerste) Brief van Clemens. De Alexandrijnse Kerk dacht zelfs dat deze van Paulus was. Maar dat de brief bij de Montanisten populair was, maakte 'm in andere kringen (met name in het Westen) juist verdacht.
Verder waren er nog zeven "Katholieke Brieven" (Jacobus, Judas, I en II Petrus en de drie van Johannes) die niet meteen overal voor canoniek doorgingen. Tegen het eind van de tweede eeuw omvatte de minimale canon naast de vier Evangeliën en de brieven van Paulus de volgende werken: Handelingen, I Petrus, I Johannes (mogelijk met de andere twee brieven aangehecht) en de Openbaringen (van Johannes). Hebreeën, Jacobus, Judas en II Petrus bleven dus zogezegd in het luchtledige hangen. De discussies over deze geschriften, later uitgebreid naar de Openbaringen, zouden het grootste deel van de rest van de canonvorming beheersen.
Aan het begin van de derde eeuw was men het er echter wel over eens welke boeken er zeker bij hoorden, terwijl alle 'secundaire' geschriften tenminste in een deel van de kerken canonieke status hadden. De enige uitzondering op deze regel was eigenlijk de vroege Oost-Syrische Kerk, die de Katholieke Brieven en de Openbaringen niet erkende.

De idee van een Nieuw Testament

De verzamelde canonieke werken waren in de ogen van de gelovigen ongetwijfeld een nieuwe bundel van God gegeven geschriften, maar het duurde even voordat dit als het "Nieuwe Testament" op voet van gelijkheid (of méér dan dat) naast het "Oude Testament" werd gezet. De opkomst van de Montanisten is hier misschien van doorslaggevend belang geweest. De pretenties van deze sekte, met zijn (valse) profeten en het eigengereide Testament van de Parakleet, sterkten de Kerk in de overtuiging dat openbaringen buiten de erfenis van de apostolische tijd niet meer aanvaard moesten worden. Een generatie na het ontstaan van het Montanisme vinden we in het werk van Tertullianus al een duidelijk begrip van twee bundels geschriften, met dezelfde Geest die in beiden werkzaam was. In de geschriften van Clemens van Alexandrië (150-215) lezen we voor het eerst de term "Testament".

Het tijdperk van het debat (220-367)

In deze periode van de ontwikkeling van de Canon gaat men zich bewust bezighouden met het maken van onderscheid tussen de verschillende geschriften die in de Kerk bestaan. De discussie wordt verslagen (en deels ook gestimuleerd) door twee van de eminentste geleerden uit de Christelijke Oudheid, de filosoof Origenes en de kerkhistoricus Eusebius van Caesarea.
Origenes verdeelde de geschriften in drie categorieën: 1) werken van onbetwiste autoriteit, 2) werken waarvan de apostolische oorsprong betwijfeld werd, en 3) apocriefe werken. In de eerste categorie plaatste hij natuurlijk de vier Evangeliën en de dertien brieven van Paulus, en verder Handelingen, Openbaringen, I Petrus en I Johannes. De categorie betwiste geschriften omvatte II Petrus, II en III Johannes, Jacobus, Judas, Barnabas, de Herder van Hermas, de Didachè10 en waarschijnlijk het Evangelie van de Hebreeën11. Origenes zelf betwistte deze geschriften trouwens niet, maar hij had er begrip voor dat anderen dat wel deden. Dat nam niet weg dat zijn gezag ertoe bijdroeg dat de Brief aan de Hebreeën en de Katholieke Brieven in de Alexandrijnse Canon verschenen.
Eusebius (263-339), bisschop van Caesarea, verdeelde de geschriften net als Origenes in drie categorieën: algemeen aanvaard, betwist en onecht. Hij rekent (in afwijking van Origenes) de Brief aan de Hebreeën tot de algemeen aanvaarde geschriften, maar geeft merkwaardig genoeg toe dat daar wel verschil van mening over bestaat. De lijst betwiste geschriften verdeelt Eusebius verder in twee kwaliteiten: de betere en de mindere. De betwiste Katholieke Brieven rekent hij tot de betere; tot de mindere rekent hij Barnabas, de Didachè, het Evangelie van de Hebreeën, de Handelingen van Paulus, de Herder en de Openbaring van Petrus. Van deze geschriften is er uiteindelijk niet één in de uiteindelijke Canon terecht gekomen. In tegenstelling tot zijn Alexandrijnse leermeester vond Eusebius de Openbaringen van Johannes er niet bij horen, maar moest hij toegeven dat hij met die mening een minderheid vertegenwoordigde. Eusebius verspreidde in de kerk van Constantinopel vijftig exemplaren van de Luciaanse Recensie, waarin het laatste boekdeel ontbrak.

De vastlegging (367-405)

Athanasius (293373), bisschop van Alexandrië, stelde in zijn Epistola Festalis 3912 (c. 367) de Alexandrijnse Canon vast voor zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Wat het Nieuwe Testament betreft omvatte deze (uiteraard) de onbetwiste geschriften zoals de vier Evangeliën maar ook de Katholieke Brieven. Daarentegen wees hij de Openbaring van Petrus en de Handelingen van Paulus, die tot dan toe in Alexandrië in aanzien stonden, resoluut van de hand. Ook Barnabas, de Herder van Hermas en de Didachè, door Origenes nog gewaardeerd, kregen van Athanasius geen plek in de canon13.
Uitwisseling van ideeën tussen het Oosten en het Westen bracht Paus Damasus (305-384) ertoe in 382 (onder meer) de vermaarde Hiëronymus van Stridon naar Rome te laten komen voor een vergadering14 over de Canon. Het resultaat was de Catalogus van Damasus, een canon van zowel het Oude als het Nieuwe Testament zoals we die vandaag de dag nog kennen. De Herder en de (onechte) Openbaring van Petrus, tot dan toe nog in gebruik in Rome, waren definitief afgevoerd.
Niet lang na de synode van 382 werd de Canon ook in de Afrikaanse Kerk aanvaard. In de synode van Hippo (393) maakte Augustinus zich er sterk voor, en kreeg gelijk. Toch waren er kort daarna nog meer synodes, zowel in Hippo als in Carthago, waar men het nodig vond afwijkende canons op te stellen. Ook in Gallië was de zaak niet meteen beklonken, wat blijkt uit een brief van Innocentius in 405 aan Exsuperius van Toulouse, met de correcte lijst van heilige boeken. In het Oosten tenslotte vond men het vaststellen van een officiële lijst niet zo nodig - in grote trekken was men het wel eens over welke boeken tot de canon behoorden en welke niet, met uizondering misschien van de Openbaringen van Johannes. Maar voor de Kerk als geheel was de discussie gesloten.

Voetnoten

Drie belangrijke ontwikkelingen lijken de katalysator te zijn geweest voor de canonisering: a) de radicale canonisering van bepaalde geschriften van Paulus en Lukas door Marcion, b) het beroep van Montanisten op speciale profetieën en c) het gebruik van dubieuze apostolische tradities door de Gnostici.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Brief van Clemens aan de Corinthiërs (eind eerste eeuw) waarin hij refereert aan de inhoud van brieven van Paulus (Eerste brief van Clemens 47), waarover hij in Rome kennelijk ook de beschikking had.
A.H. 3, 11, 8; zie voor de theologische verklaring voor het aantal van 'vier' A.H. 3, 11, 8.
Het woord 'alogi' (Grieks: ἄλογοι) was de aanduiding van Epiphanius van Salamis voor een 2e eeuwse sekte die het Johannes-evangelie afkeurde omdat dat niet paste bij hun christologie.
A.H. 3, 11, 9.
Zie bijvoorbeeld A.H. 3, 9-11.
De dertien brieven van Paulus zijn Romeinen t/m Filémon, niet de Brief aan de Hebreeën die soms ook aan Paulus wordt toegeschreven.
Volgens de Catholic Encyclopedia selecteerde Marcion zes brieven van Paulus. Wikipedia heeft het over tien.
De Didachè (Grieks voor "onderwijs") is rond het jaar 100 samengesteld uit geschriften van verscheidene anonieme auteurs. De inhoud ervan is nog bekend dankzij een vondst in 1873.
Het Evangelie van de Hebreeën (niet te verwarren met de Brief aan de Hebreeën) schijnt onder christenen van Joodse afkomst populair te zijn geweest, want in tegenstelling tot veel andere nieuwtestamentische geschriften was dit in het Hebreeuws gesteld. De schrijver was vermoedelijk Mattheüs. Van dit werk zijn alleen kleine citaten overgebleven.
Voor een engelse vertaling van deze feestbrief zie www.ccel.org - Athanasius: Select Works and Letters.
Volgens de genoemde feestbrief van Athanasius zijn de Didachè en de Herder van Hermas wel geschikt als stichtelijke lectuur voor nieuwe gelovigen.
Een verslag van de synode van 382 is te vinden in de Decretum Gelasii de recipiendis et non recipiendis libris; zie: www.tertullian.org.

Bronnen

Meer informatie over dit onderwerp

Zoeken binnen vroegekerk.nl